Achttien maanden celstraf geëist voor verkrachting in 1998

03-06-2016

In de zaak tegen een 53-jarige man uit Uden die verdacht wordt in 1998 een vrouw te hebben verkracht in Utrecht, is vandaag een celstraf van achttien maanden geëist. In aanvulling op DNA-bewijs, voerde de officier van justitie een bekentenis van de man over een andere verkrachting aan als steunbewijs. Van dit mogelijke feit was geen aangifte gedaan of gevonden, en zodoende was dit niet ten laste gelegd.

De verkrachting vond plaats op 2 maart 1998 te Utrecht om twee uur ’s nachts. Bij thuiskomst werd de vrouw van achteren vastgepakt door een man met een bivakmuts en ontbloot geslachtsdeel, en vervolgens bij haar huis en in een dichtbijgelegen park verkracht.  Uit overlevingsdrang werkte de vrouw mee en nam op enig moment zelf het initiatief. De man gedroeg zich dwingend; van vrijwillige seks was geen sprake. Het DNA profiel van de dader leverde geen match op.

Eind 2009 komt deze match er wel als de man voor een anderdelict in de bank is opgenomen. De officier van justitie schatte toen in dat het niet tot een bewijsbare zaak zou komen en besloot geen vervolging in te stellen. De verdachte werd niet gehoord, de vrouw werd niet geïnformeerd. Op de zitting noemde de officier van justitie deze gang van zaken “pijnlijk” en bood het slachtoffer nogmaals excuses aan. Toen zij zich in 2015 weer meldde bij de politie, besloot de officier van justitie de verdachte alsnog te laten aanhouden en te horen over de DNA-hit en de aangifte. Ook de aangeefster legde toen een aanvullende, meer gedetailleerde verklaring af.

Bij het verhoor bij de politie heeft de verdachte steeds gezwegen over de verkrachting in 1998, maar hij bekende wel een andere verkrachting te hebben gepleegd. Wanneer dit was geweest kon hij niet aangeven, over de plaats en toedracht was hij expliciet. Bovendien had hij het slachtoffer van de verkrachting in 1998 verteld dat hij al eerder een vrouw had verkracht. De officier van justitie nam dit mee voor het bewijs; kennelijk is hij niet onbekend met het plegen van verkrachtingen. Over de suggestie dat er een tweede serieverkrachter in Utrecht actief zou zijn geweest merkte de officier op dat hier geen grond voor is; het onderzoek heeft geen andere feiten aan het licht gebracht met een zelfde modus operandi. Aangezien de verdachte niet heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, moet hij als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

In haar eis hield de officier rekening met het tijdsverloop, het blanco strafblad en de strafmaat in 1998 en vroeg derechtbank de man te veroordelen tot een celstraf van achttien maanden. Ook vroeg ze het slachtoffer een vergoeding voorimmateriële schade toe te kennen.

Bron: OM